Waarom pesten niet iedereen even hard raakt

Pesten kan tot zelfmoord leiden. De afscheidsbrief van de twintigjarige Tim Ribberink werd door zijn ouders in de rouwadvertentie gepubliceerd als een aanklacht tegen het onrecht dat hun zoon was aangedaan en als een oproep aan de maatschappij om dit soort afschuwelijke gebeurtenissen te voorkomen.

Het is begrijpelijk dat de ouders in hun woede en verdriet naar ‘de ander’ wijzen. De pestkoppen zelf die de jongen het leven zuur hebben gemaakt, leraren die niets in de gaten hadden. Maar natuurlijk is er niemand te vinden die zich verantwoordelijk voelt, want pesten voltrekt zich nu eenmaal buiten het zicht van de autoriteiten.

Meer aandacht voor pesten dan vroeger
In vergelijking met vroeger, toen het fenomeen werd doodgezwegen, is er veel meer aandacht voor. Elke zichzelf respecterende school houdt er een anti-pestbeleid op na, er worden lessen aan besteed om het bespreekbaar te maken, leraren dienen een oogje in het zeil te houden en in te grijpen.

Eenzaamheid erger dan pesten
Ik ben niet zo dol op hersenonderzoek, maar dat bij een sociale uitsluitingservaring precies dezelfde hersengebieden worden geactiveerd als wanneer iemand fysieke pijn ondergaat, vind ik toch wel veelzeggend. Een kind dat niet mee mag doen met voetballen lijdt evenveel als een kind dat een klap op z’n kop krijgt, en misschien nog wel meer want het niet mee mogen doen duurt langer dan de fysieke pijn van een klap of een stomp.

Volgens mij is gepest worden niet meer dan een uitwas, je zou ook kunnen zeggen een symptoom, van een veel groter onderliggend probleem: eenzaamheid. Pestgedrag is dubbelzinnig en komt vaak veel heftiger binnen dan beoogd. Uitsluitingsmechanismes doen zich aan de lopende band voor, zeker onder kinderen die geen gepaste beleefdheid in acht nemen.

Uitsluitingsgedrag hoeft niet erg te zijn
Dat hoeft niet erg te zijn, zolang iemand andere mensen heeft om op terug te vallen, zolang hij ergens anders wél kan meedoen. Zelfs kwaadaardig pestgedrag kan onschadelijk worden gemaakt, als een kind over een of twee leeftijdgenoten beschikt met wie hij een alliantie kan sluiten en op wie hij kan vertrouwen. Dat biedt tegenwicht en relativeert het pesten.

Klik hier voor het originele bericht. Bron: www.hpdetijd.nl